Berichten

Borstvoeding geen life-style keuze

Twee reacties op de aankondiging van een proefschrift dat in Groningen verdedigd gaat worden. Eentje: ”keuze voor borstvoeding geen lifestyle keuze. Wel van invloed op moederschapsstijl en beleving” en de andere een bevestiging van een quote  ”Voorlichting over borstvoeding moet meer gebaseerd worden op perspectief van de moeder.” uit het onderzoek Women’s perceptions, knowledge and breastfeeding decision-making | Promoties | Rijksuniversiteit Groningen”De achtergrond van het onderzoeksproject is een debat over borstvoeding zoals dat in 2008 in Nederland werd gevoerd. In dat jaar deed het Ministerie van Gezondheidszorg, Welzijn en Sport de oproep met als doelstelling dat het percentage vrouwen dat tot zes maanden borstvoeding geeft zou zijn toegenomen tot 40% in 2011. De oproep was gebaseerd op de discrepantie tussen de aanbevelingen van de Wereld Gezondheidsraad (WHO) om zuigelingen tot zes maanden exclusief borstvoeding te geven, en het hoge aantal vrouwen dat stopt met borstvoeding in de eerste maand.” (Download hier het volledige proefschrift.) Hoe het nu staat met het aantal kinderen dat bij de geboorte  en na zes maanden nog borstvoeding krijgt en redenen die vrouwen opgeven om te starten en stoppen met borstvoeding onderzocht TNO. Collega Caroline Kruger van Stichting Babyvoeding liet die redenen in een mooie graphic van TNO zien in een Twitter bericht.

CGpIZ5uUAAERtF3.jpg largeEen probleem van de wetenschap zoals die hier en nu wordt beoefend is dat het dingen uit elkaar haalt en daarbij het perspectief verandert. Geïsoleerde details worden minutieus onderzocht en blootgelegd, maar het gehele plaatje wordt daarbij uit het oog verloren. De promovenda Oosterhuis zegt dit mooi in de samenvatting van haar werk: ”Het geven van borstvoeding dient te worden beschouwd als een proces en niet alleen als een product dat kan worden uitgedrukt in borstvoedingscijfers. ” Met cijfers, tabellen en grafieken kom je er niet, leg je de problemen niet bloot, beter gezegd: leg je de oorsprong van problemen niet bloot. Daarvoor moet je de zaken van meerdere kanten bekijken. Dit proefschrift kijkt naar het perspectief van de moeder zelf. Ze komt tot de conclusie dat moeders informatie moeten kunnen vinden vanuit verschillende bronnen en dat ze begeleiding nodig hebben van zorgverleners met de vaardigheid om te luisteren. Te luisteren naar het perspectief van de vrouwen zelf. Het is overduidelijk dat vrouwen die zorg nu niet krijgen, want ze stoppen massaal eerder dan ze bedoelden en ze geven daarvoor redenen die te maken hebben met informatie en begeleiding. Op de eerste plaats in de eerste drie tijdsperiodes, en op de tweede plaats in de vierde periode, staat ”te weinig melk” als belangrijkste reden. Deze reden wordt op de voet gevolgd door ”pijn”, twee  keer op de tweede en één keer op de derde plaats. Dan is  ”combinatie met werk” ook nog een belangrijke factor, naast ”te weinig melk”, in de twee latere periodes.

melkpeilingTNO15

Niet genoeg melk is zeer stabiel de meest genoemde reden om prematuur (= eerder dan verwacht of gepland of gewenst) te stoppen met borstvoeding. Zelfs in het laatste blok is ”combinatie met werk” evenveel als ”niet genoeg melk”. Nu is er over de combinatie met werk ook nog een en ander te zeggen, maar die factor ”niet genoeg melk”, en ook de op de derde plaats belandende factor ”pijn” zijn voor bijna 100% langs een directe lijn terug te voeren naar falende zorg. Falende zorg in de zin van een ontoereikende basis van correcte en functionele informatie (anders dan ”je moet borstvoeding geven want dat is natuurlijk en heeft veel voordelen voor je kind”) enerzijds en ontbrekende vaardigden wat betreft luisteren naar de vrouw en het effectief voorkomen en behandelen van problemen. Het werkelijke onvermogen tot het produceren van een toereikende hoeveelheid melk is relatief zeldzaam en zeker zeldzamer dan deze cijfers doen vermoeden. Het is dus voor een flink deel een iatrogene factor.

Een belangrijk aspect van deze falende zorg is de onwil of onmacht om borstvoeding neer te zetten als de optie van eerst keuze voor de voeding en koestering van het pasgeboren kind. Enkel stellen dat ”borstvoeding het beste is” volstaat niet. Aanstaande ouders horen een duidelijke en eenduidige boodschap te krijgen vanuit ”de zorg” als geheel, dus van elke zorgverlener waarmee zij van preconceptie tot en met het consultatiebureau in aanraking komen, dat borstvoeding de preferente keuze is. Dat kunstvoeding een optie is als borstvoeding wekelijk niet mogelijk is en ook donormelk geen optie is. Die boodschap moet ook impliceren dat wel of geen borstvoeding geen lifestyle keuze is, maar een belangrijke keuze die de basis voor de gezondheid van hun kind legt (en voor de verdere gezondheid van de moeder!).

Het tweede aspect van de falende zorg is de uitblijvende combinatie van kennis en vaardigheden bij het counselen (luisteren naar de moeder en naar haar perspectief) en bij het uitzetten van het borstvoeding management, waarbij preventie voorop staat, maar waar in voorkomende gevallen ook kennis paraat is voor het oplossen van problemen met behoud van borstvoeding. Fles is geen antwoord als borst de vraag is. Die kennis en vaardigheden ontbreken nu bij het overgrote deel van de zorgverleners waar ouders mee te maken hebben. In opleidingen wordt nauwelijks degelijke aandacht aan dit onderwerp gegeven, de kennis over normaal babygedrag bij slapen en eten ontbreekt ten ene male (de pure biologische kennis van het zoogdier mens), de gevolgde routines rondom de baring, bij de eerste voedingen en in de kraamdagen zijn vrijwel nooit werkelijk evidence based.

Een overheid die werkelijk aan preventieve gezondheidszorg wil doen zou zich wat serieuzer moeten bezighouden met het behalen van de doelen. Al doen ze het alleen maar om de kosten voor volksgezondheid omlaag te halen. De financiële en gezondheidswinst van meer kinderen die beginnen met en langer doorgaan met uitsluitend borstvoeding zijn te groot om te verwerpen en borstvoeding een eigen, persoonlijke levensstijlkeuze van de ouders te maken. Het is ook niet iets dat aan de marktwerking kan worden overgelaten, want er is geen partij die verdient aan het geven van borstvoeding (en er zijn wel partijen die massieve hoeveelheden geld verdienen met het geven van kunstvoeding). Het is de overheid die hier in zal moeten investeren door het verbeteren van de curricula van zorgopleidingen, het reguleren van de zorgverzekeraars die moeten werken ten gunste van borstvoeding, borstvoeding ondersteuning en donormelk, en ten nadele van kunstvoeding (tenzij vanwege medische noodzaak bij kinderen met metabole stoornissen en dergelijke) en het volledig implementeren van de WHO Code en het BFHI.

Dr WHO?