Berichten

Slaper

Geboekt

Fratsen

Een collega belt me. Ze moet even stoom afblazen. Haar verhaal is heel herkenbaar. De frustratie over onnodige problemen met onnodige oplossingen die borstvoeding onnodig moeilijk maken. Precies de thema’s van de afgelopen twee blogs. Wij zijn allebei van de vroegste lichting lactatiekundigen in Nederland en we komen allebei uit hetzelfde vrijwilligersnest. We waren het helemaal met elkaar eens: vroeger was er geen reflux en geen overproductie. Natuurlijk spuugden kindjes ook toen wel eens een mondje of een flinke plens melk uit. Dat is waarom in de babyuitzet een hele stapel spuugdoekjes was voorzien. En natuurlijk liep bij moeders vraag en aanbod ook niet altijd direct gelijk op. Er waren toen natuurlijk ook problemen: kapotte tepels, borstontstekingen en niet genoeg melk (of het vermoeden daarvan) zijn er altijd geweest. En ook toen al werden die vaak veroorzaakt door een verkeerde aanpak van borstvoeding en ridicule regeltjes. Het feit dát er problemen zijn was dan ook niet onze grootste frustratie in dat telefoongesprek. Problemen bij borstvoeding is ons vak, dus die verwachten we. Nee, het belangrijkste pijnpunt was dat soms de verkeerde regels en adviezen aan moeders met problemen, al die rare fratsen, niet van anderen komen, maar van vakgenoten.
De frustratie deze keer was beleid dat leidt tot overproductie en de ingewikkelde procedures die vervolgens die overproductie weer in toom moeten krijgen. De belangrijkste oorzaak van overproductie is niet een fout in de aanleg bij de moeder of een overactief hormonaal systeem, maar simpelweg verkeerd beleid. Het gros van de borsten die al te overdadig melk maken doen dit omdat ze gewoon doen wat er van ze wordt gevraagd. Men zou dit dan wellicht ook beter niet overproductie moeten noemen, maar overstimulatie. Bij een meerderheid van de moeders die ik de afgelopen tijd zag en sprak was er sprake van voortdurende overstimulatie van de borsten tijdens het voeden. Constant mee masseren of borstcompressie tijdens een volkomen normale voeding. Het kind als hij even pauzeert stimuleren verder te drinken. Het kind wakker houden als hij in slaap sukkelt om de voeding langer te maken en de intake te vergroten. Allemaal fratsen.
Bij navraag doen de meeste van deze moeders dit niet omdat dat henzelf zo’n goed idee lijkt, maar omdat ze dat zo geleerd hebben. Want een voeding moet voldoende lang duren en er moet al die tijd actief worden gedronken, is de les die zij leerden, ander krijgt de baby niet de Vette Achtermelk en zullen Erge Dingen gebeuren. Ik krijg daar dus helemaal de kriebels van. Het kan nooit de bedoeling zijn dat moeders in volledige concentratie en met volledig alles uitsluitende focus en volgens strak voorgeschreven technieken hun kind moeten voeden. Ik heb datzelfde gevoel bij alle soorten voedingsleer waarbij je ook elke maaltijd moet berekenen, bepaalde voedingsmiddelen wel of absoluut niet moet combineren en vooral nooit zomaar voor de lol en het lekker iets in je mond stoppen. Ooit een koe in de wei bezig gezien met het nauwkeurig inspecteren van de grasjes en kruidjes en de verschillende nutriënten bij elkaar combineren en berekenen of alles wel klopt? Ooit een moederbeer bezig gezien met het wakker schudden van haar pups en het knijpen in haar borsten? En geloof maar dat die berenpups echt behoefte hebben aan zeer vette melk. En die vette melk krijgen ze zonder rare fratsen uit te halen.
Belangrijke, levensbepalende lichamelijke functies gaan over het algemeen volkomen vanzelf en ongemerkt door. Of ze gaan makkelijk en vanzelfsprekend en brengen plezier en genot. Als aan een paar basisvoorwaarden is voldaan kun je het zijn eigen gang laten gaan en komt het vanzelf goed. Een belangrijke reden voor het doorslaande succes van zoogdieren is dat het zo makkelijk gaat, dat zoogdiermama’s er niet bij hoeven nadenken, geen ingewikkelde dingen hoeven te doen, geen rare fratsen hoeven uithalen die het grootste deel van hun aandacht opeisen. Aandacht die ze dan niet meer aan andere dingen kunnen besteden. Zoogdiermama’s kunnen zich dat namelijk niet permitteren om zoveel tijd en aandacht te geven aan het simpele voeden van de jongen. Dat is evolutionair oneconomisch, want het verlaagt hun eigen overlevingskansen. Het idee van dat zogen van zoogdieren is dat het allemaal vanzelf gaat, weinig energie kost en toch plezierig is om te doen. Zonder rare fratsen zoals schema’s, werkmodellen en toestellen.
Al dat gefruts, geprik, geknijp en gedoe tijdens het drinken geeft allemaal verkeerde signalen aan de moeder, aan het kind en aan de borsten. Zowel de samenstelling van de melk, als de bouw en werking van het spijsverteringssysteem en de lichamelijke ontwikkeling van het kind en zijn hersenontwikkeling geven aan dat een mensenkind veelvuldige kleine voedingen nodig heeft. Bij frequente stimulans van de borsten, bij frequente afname van kleine hoeveelheden melk wordt de hoeveelheid aan te maken melk het makkelijkst afgestemd op de vraag en is de samenstelling het best afgestemd op wat een kind nodig heeft. Frequente kleine voedingen zorgen voor een optimaal werkende spijsvertering en een ononderbroken toestroom van brandstof voor de hersenen. Het intensieve contact tussen moeder en kind zorgt voor ruime stimulatie van de hersenen voor een zo volledig mogelijke ontplooiing. Als de omstandigheden goed zijn en het kind in staat wordt gesteld zijn instincten en reflexen te volgen zal dit alles leiden tot een vanzelfsprekend gebeuren en een plezier voor moeder en kind. Moeder zal daarbij ook nog tijd en energie overhouden om haar eigen ding te doen. Met haar kind aan de borst, op de arm, op de rug. Zonder fratsen en gedoe.

Meer op het oude blog met label aanbevelingen, regels, richtlijn, blauwdruk.

Titelfoto: Charles Chaplin als ‘A Factory Worker’ in  Modern Times (1936)

Wie vertrouw je meer?

DISCLAIMER vooraf:

Incidenteel kom je heel goede zorgverleners tegen op consultatiebureaus, die wel heel goed begrijpen hoe kindjes in elkaar zitten en hoe je met moeders omgaat. Deze zorgverleners zet ik hierbij in een gouden lijstje en ik juich ze van harte toe. Het is jammer dat dit vooral te danken is aan die individuele zorgverlener, maar dat het geen algemeen beleid is. 


Vrijdag j.l. schreven collega Chella [hier] en ik [hier] beiden over hetzelfde onderwerp: ”moedergroepen” op Facebook. Dat is niet toevallig, we spraken er ook samen over, tijdens het Lactatieburo spreekuur. Wat ook ter sprake kwam was de veronderstelling dat moeders misschien liever elkaar onderling vertrouwen dan hun dokter of andere zorgverlener. Dat is zorgelijk, als het waar zou zijn. Zorgelijk, omdat ze bij het bij elkaar te rade gaan niet altijd wel goed advies krijgen. Zorgelijk ook, omdat je zorgverlener niet vertrouwen ook consequenties heeft voor andere zorgverlening en andere zorgverleners. Want als je er eentje niet vertrouwt, bijvoorbeeld door ondeskundige advies, ben je meer geneigd om de volgende ook niet erg te vertrouwen. Overleggend met collega ouders wordt het wantrouwen over de kundigheid van zorgverleners vaak nog verder ondermijnd. Ik heb het over zorgverleners al een aantal keren eerder gehad.

Het consultatiebureau, in de volksmond ook wel aangeduid als consternatiebureau, of milder ”het buro” of het CB, heeft een belangrijke taak en in de beginjaren is het mede oorzaak geweest voor de dalende kindersterfte. Ouders werd geleerd over hygiëne en gezonde voeding en de groei en ontwikkeling van kinderen werd in de gaten gehouden. Gedurende decennia achtereen waren ouders blij en tevreden met het CB. Zorgverleners, met name artsen, waren de onbetwistbare experts en aan hun voorschriften werd niet getwijfeld. Tot mensen mondiger en minder autoriteitsgevoelig werden en meer zelf gingen nadenken over hoe ze met hun kinderen willen omgaan. Vooral met de opkomst van internet en nog sterker met de sociale media, neemt de onvrede met het CB toe. Ook aan de kant van ”het buro” zelf veranderde nogal wat. Er kwam meer controle en men ging zich niet alleen meer bezighouden met voeding en groei, maar ook met de opvoeding. De werkwijze werd steeds meer gebaseerd op protocollen en richtlijnen. Protocollen en richtlijnen zijn prima om te zorgen voor een eenduidig beleid, maar dan moeten die protocollen en richtlijnen wel evidence based zijn. Vooral bij het punt opvoeding blijft de wetenschappelijke basis uit. En dat terwijl dokters en verpleegkundigen geen experts op het gebied van opvoeding zijn. Zij zijn geen opvoedkundigen, geen pedagogen, en zouden zich naar mijn smaak verre moeten houden van opvoedadvies, speciaal wanneer dit gebaseerd is op onjuiste informatie. Met name de richtlijnen voor huilen en slapen geven blijk van een volkomen gebrek aan inzichten in ontwikkelingspsychologie en opvoedkunde. Maar ja, wat je verwacht je dan ook? Je laat toch ook een pedagoog geen richtlijnen opstellen voor open hart operaties? Ieder zijn vak en deskundigheid.

Maar ook op het gebied van voeding gaan de adviezen die moeders op het CB krijgen vaak de mist in. Adviezen voor het bepalen van de voedingsfrequentie op basis van leeftijd en/of gewicht laten een schrijnend gebrek aan inzicht zien in de fysiologie van de jongste mens. Borstvoedingsproblemen die een kunstvoedingsoplossing krijgen getuigen van een schrijnend gebrek aan het belang van borstvoeding voor het lichamelijke en emotionele welzijn van het kind en zijn moeder, en een even schrijnend gebrek aan basale kennis over het onderwerp en de vaardigheden die nodig zijn om de borstvoedingsdyade te begeleiden. Moeders vergelijken de adviezen die ze krijgen met de informatie die ze halen bij anderen, bijvoorbeeld lactatiekundigen, en zeggen hun vertrouwen in de CB zorgverleners op. Of ze volgen de adviezen op, worden deskundig van de borstvoeding afgeholpen en geven vervolgens de echte borstvoedingsdeskundigen er de schuld van.

lactatieburoVeel moeders gaan alleen nog naar het consultatiebureau voor het meten en wegen en ”de prikjes” en zeggen voor de rest ja zuster nee zuster. Voor die moeders, die wel over borstvoeding willen praten, maar niet tevreden zijn over de zorg en de adviezen die ze daarover krijgen is er nu het Lactatieburo. Je kunt er terecht voor het wegen van je kind inclusief een korte bespreking, of voor kortere of langere consulten met een lactatiekundige. Je krijgt daar borstvoeding antwoorden op borstvoeding vragen en er wordt naar jou geluisterd.